U bevindt zich op: HomeOnderwerpenStaatsexamens NT2Wat is het Staatsexamen NT2?Inhoud van het examen

Inhoud van het examen

Hier kunt u lezen hoe het examen er precies uitziet voor Programma I en Programma II. Als er verschillen zijn tussen Programma I en Programma II, worden die genoemd per onderdeel.

Luisteren

Lezen

Spreken

Schrijven

 

In het examen Luisteren wordt getoetst of u voldoende luistervaardig bent. Er worden twee soorten luistervaardigheid getoetst:

  • 1. 
    globaal luisteren
  • 2. 
    selectief luisteren

Globaal luisteren betekent dat u de belangrijkste dingen uit een tekst kunt begrijpen. Selectief luisteren betekent dat u de juiste informatie uit een tekst kunt halen. Het luisterexamen wordt afgenomen met een computer en een koptelefoon.

Drie onderdelen

Het examen Luisteren bestaat uit drie onderdelen. In deze onderdelen komen verschillende luistersituaties voor. Dit zijn situaties die u kunt tegenkomen in een opleiding of op uw werk. Bijvoorbeeld een werkgever die een nieuwe werknemer vertelt wat hij precies moet gaan doen. De luisterfragmenten lijken op normaal taalgebruik: u hoort verschillende stemmen, versprekingen, herhalingen enzovoort. Een spreker kan een accent hebben, maar het is nooit een dialect. Soms hoort u geluiden op de achtergrond van de geluidsopname. Dit komt omdat er echte geluidsopnamen zijn gebruikt.

Soorten opgaven

Bij de teksten horen meerkeuzevragen. U moet bij elke vraag een antwoord kiezen uit drie antwoorden. De vragen en antwoorden staan op een computerscherm. Er is steeds maar één antwoord goed. U kiest dus bij elke vraag antwoord A, B of C.

Aantal opgaven

De examens Luisteren Programma I en Programma II bestaan uit ongeveer 40 meerkeuzeopgaven.

Bij het onderdeel Luisteren mag u géén woordenboeken gebruiken.

Domeinen en tekstsoorten

In het Leesexamen wordt getoetst of u voldoende leesvaardig bent. U moet in het examen laten zien dat u verschillende soorten teksten begrijpt. Deze teksten kunt u allemaal tegenkomen op het werk, tijdens een opleiding of in het dagelijkse openbare leven. In het examen komen de volgende soorten teksten voor:

  • descriptieve teksten, bijvoorbeeld berichten van een opleiding of werkgevers, informatiefolders en teksten uit leerboeken;
  • persuasieve teksten, bijvoorbeeld advertenties en ingezonden brieven;
  • beschouwende teksten, bijvoorbeeld artikelen uit tijdschriften uit de wereld van arbeid en opleidingen met meningen van verschillende personen;
  • instructieve teksten, bijvoorbeeld handleidingen over de werking van apparaten, routebeschrijvingen en teksten over wat je moet doen bij een brand of bij een ongeluk op het werk.

Handelingen

Een handeling is wat iemand moet kunnen (doen) met een tekst. In het examen Lezen wordt u getoetst op de volgende handelingen:

  • Zich oriënteren op een tekst. Hierbij hoeft u alleen maar te weten wat het onderwerp, de herkomst of het doel van de tekst is, of voor wie de tekst is geschreven. U moet een tekst globaal kunnen lezen.
  • De betekenis van een tekstgedeelte begrijpen. U moet bijvoorbeeld vragen beantwoorden over de letterlijke betekenis van een tekstgedeelte. Of over twee tekstgedeelten die iets met elkaar te maken hebben. U moet bijvoorbeeld uit een tekst een conclusie kunnen trekken. U moet een tekst dus heel precies en heel nauwkeurig (intensief) kunnen lezen.
  • Specifieke informatie opzoeken. Hierbij moet u informatie in een tekst opzoeken. Daarna moet u iets met die informatie doen. Bijvoorbeeld beschrijven, ordenen of combineren met andere informatie.

Niet elke handeling past bij elke soort tekst. Een studietekst moet u heel precies lezen, omdat u bijvoorbeeld wilt weten waarom iets op een bepaalde manier gebeurt. Of omdat u de informatie moet leren voor een examen. In een folder over studiefinanciering of in een bijsluiter bij een medicijn kunt u naar specifieke informatie zoeken. U wilt bijvoorbeeld weten hoe u een studiebeurs moet aanvragen of wie het medicijn wel of niet mogen gebruiken. De handelingen die u in het examen moet uitvoeren passen zo goed mogelijk bij de tekst. Bij een studietekst moet u dus vooral vragen beantwoorden waarbij u de tekst precies moet lezen. Bij een folder over studiefinanciering krijgt u vooral vragen waarbij u informatie moet opzoeken. Maar ook bij een folder moet u soms heel precies lezen. En bij een studietekst moet u soms eerst de belangrijkste informatie opzoeken.

In het examen Lezen worden alledrie de handelingen in één examen getoetst. Bij de meeste opgaven (ongeveer 80%) moet u precies en intensief lezen (handeling 2). Bij de opgaven waar u alleen iets moet opzoeken moet u snel handelen. Aan zulke opgaven moet u niet veel tijd besteden.

Aantal vragen

Het examen Lezen Programma II bestaan uit ongeveer 8 teksten met 40 vragen. Het examen Lezen Programma I bestaat ook uit ongeveer 8 teksten met 41, 42 of 43 vragen.

Verschil tussen Programma I en II

Er zijn een paar verschillen tussen de teksten van Programma I en II. De onderwerpen in Programma II kunnen iets moeilijker zijn dan in Programma I. Verder zijn beschouwende teksten in Programma II belangrijker dan in Programma I. Hierdoor is Programma II iets moeilijker dan Programma I.

Woordenboeken

Bij het Leesexamen mag u maximaal drie verschillende woordenboeken gebruiken. U mag zelf kiezen welke woordenboeken u meebrengt. U mag géén elektronische woordenboeken gebruiken.

Op de tijd letten

Het examen bestaat uit opgaven waarvoor u precies moet lezen, opgaven waarvoor u globaal moet lezen en opgaven waarvoor u iets moet opzoeken. Voor sommige opgaven zult u dus meer tijd nodig hebben; bij andere opgaven moet u snel handelen. Als u aan alle opgaven veel tijd besteedt, dan komt u dus tijd tekort. Hou daar rekening mee.

In het examen Spreken wordt getoetst of u voldoende spreekvaardig bent. U moet in het examen laten zien dat u goed kunt reageren in verschillende situaties. U hoort de opgaven via een koptelefoon. Alles wat u zegt, wordt opgenomen.

Soorten opdrachten

De examens Spreken I en II hebben korte en middellange opdrachten. Bij de korte opdrachten moet u een paar woorden of één of twee zinnen zeggen. Bij de middellange opdrachten moet u een langere reactie geven. U krijgt soms tijd om na te denken over wat u wilt gaan zeggen. Dat wordt dan duidelijk vermeld.

Het examen Spreken Programma II heeft ook nog twee langere opdrachten. U moet dan twee keer twee minuten over een onderwerp praten. U krijgt hiervoor per opdracht twee minuten voorbereidingstijd. Bij deze langere opdrachten mag u aantekeningen maken, maar dat hoeft niet. We raden u aan om alleen de belangrijke punten op te schrijven. Anders bent u te veel tijd kwijt met schrijven.

U hoeft bij de spreekopdracht niet alle antwoordtijd te gebruiken. Als u denkt dat uw antwoord voldoende is, kunt u stoppen met spreken.

Taalhandelingen

De spreekopdrachten zijn heel verschillend. U moet bijvoorbeeld informatie geven, informatie vragen, instructies geven, iets weigeren, klagen, verontschuldigen, een mening geven, argumenten noemen, een beschrijving geven of een advies geven.

Beoordeling

De antwoorden die u geeft worden beoordeeld op verschillende aspecten, zoals inhoud, grammatica, woordkeus, uitspraak en tempo.

Aantal opdrachten

Elk examen Spreken Programma I bestaat uit 21 opdrachten (12 korte en 9 middellange opdrachten). Het examen van Programma II bestaat uit 16 opdrachten (6 korte, 9 middellange en 1 lange).

Woordenboeken

Tijdens het examen Spreken mag u géén woordenboeken gebruiken.

In het examen Schrijven wordt getoetst of u voldoende schrijfvaardig bent. U moet in het examen laten zien dat u zelf teksten kunt schrijven. Dit zijn teksten die u op het werk of tijdens een opleiding zou moeten kunnen schrijven.

Soorten opdrachten

Het examen schrijven I heeft zinsopdrachten en korte schrijfopdrachten. Bij de zinsopdrachten krijgt u korte teksten die niet compleet zijn. U moet zinnen aanvullen of zinnen toevoegen. Altijd krijgt u een deelschrijftaak: dan moet u korte briefjes aanvullen of gegevens aanvullen in een formulier. Bij de korte schrijfopdrachten moet u zelf een volledige tekst schrijven. U moet bijvoorbeeld een notitie of een korte brief schrijven. Of u moet een beschrijving geven van een situatie, een handeling, of een proces.

Het examen Schrijven II heeft ook zinsopdrachten en korte schrijfopdrachten, net als Examen I. Maar u moet ook twee middellange teksten schrijven. U moet bijvoorbeeld een probleem beschrijven en een voorstel doen voor een oplossing. Als hulpmiddel krijgt u soms een tabel, grafiek of enkele plaatjes. De middellange taak van Schrijven Programma II is nog niet opgenomen in de voorbeeldexamens die nu verkrijgbaar zijn. Wel kunt u twee voorbeeldopgaven van deze nieuwe schrijftaak downloaden:

Beoordeling

De tekst die u schrijft wordt beoordeeld op verschillende aspecten, zoals inhoud, grammatica, woordenschat en spelling.

Aantal opdrachten

Bij het examen Schrijven Programma I bestaat onderdeel A uit 10 zinsopdrachten (30 minuten) en 3 deelschrijftaken (30 minuten). Onderdeel B bestaat uit 3 korte opdrachten (60 minuten).

Bij Programma II zijn de onderdelen A en B precies hetzelfde. Beide onderdelen bestaan uit 4 zinsopdrachten (10 minuten), een korte schrijftaak (20 minuten) en 1 middellange schrijftaak (30 minuten).

Woordenboeken

U mag bij het Schrijfexamen maximaal drie verschillende woordenboeken gebruiken. U mag zelf kiezen welke woordenboeken u meebrengt. U mag niet het Van Dale Synoniemenwoordenboek gebruiken en u mag géén elektronische woordenboeken gebruiken. Ook mogen geen woordenboeken met grote aantallen voorbeeldzinnen, uitgebreide grammaticale uitleg of persoonlijke aantekeningen worden gebruikt. De examenleider kan om deze redenen het gebruik van een woordenboek verbieden.